· 

Namaste Nepal

Van China naar Nepal, met een tussenstop in Tibet

De tijd vliegt en zo zitten we al bijna een maand in Nepal. Dus laten we jullie alvast even mee proeven van onze avonturen in het land van Never Ending Peace And Love. 

 

Op 9 oktober vliegen we van het Chinese Chengdu naar de Nepalese hoofdstad Kathmandu. Onderweg maken we omwille van een geplande technische vliegtuigcontrole een tussenstop in Lhasa. Het is ironisch want nadat we deze bestemming door te hoge prijzen en moeilijke administratieve procedures van onze planning schrapten, zetten we alsnog voet aan Tibetaanse grond. Het is er fris op 3500 meter hoogte. En dan te bedenken dat je hier nog maar in het dal van de Himalaya bent…

 

De Tibetaanse douane meent het serieus. Zeker tien verschillende officiers controleren de hele tijd onze vliegtickets. Ze onderzoeken elke pagina van ons paspoort en vragen om alle elektronica in onze bagage uit te stallen. Zelf ontkomen we natuurlijk ook niet aan een fouillering. Balancerend op één been analyseren ze zelfs van dichtbij de onderkant van onze sokken. In dit geval begrijp ik hun mondmaskers volkomen. Na een uur van bureaucratie nemen we terug plaats op dezelfde stoel in hetzelfde vliegtuig. 

Het dak van de wereld

Het tweede deel van de vlucht hangen we boven een natuurlijke ansichtkaart. Azuurblauwe meren, besneeuwde bergtoppen en witte wolkenplukken in een hemelsblauwe lucht. Je zou voor minder tegen het raam plakken. Het is onwezenlijk om over het dak van de wereld te vliegen en er is heus geen Sinterklaas die mooiere pakjes van de daken smijt dan Moeder Aarde op deze plek. Halverwege de vlucht rept iedereen zich naar de rechterkant van het vliegtuig. Witte rotsen priemen hoog boven het wolkendek uit. De Mount Everest is in zicht! Het is quasi ondenkbaar dat je vanaf die top bijna negen loodrechte kilometers naar beneden moet lopen om op Belgische hoogte uit te komen. 

 

Onze hartslag is nog maar nauwelijks gezakt of we hangen al boven een kleurrijke stad vol kleine huizen: Kathmandu. Het is lekker warm als we over de tarmac naar de aankomsthal lopen. Het kleine luchthavengebouw lijkt eerder op een school dan op een internationale terminal, maar het douanesysteem is alleszins niet van universitair niveau. Papieren invullen hier, aanmelden op een computer daar, visumfee betalen ginder en uiteindelijk nog eens ergens anders aanschuiven voor een verlossende stempel in ons paspoort. Het vraagt tijd en geduld om de Nepalese deuren te openen. 

Namaste

Slapen doen we in Thamel, de populaire wijk waar alle backpackers verbroederen. Op het internet circuleren berichten dat taxichauffeurs je voor 900 rupees (7 euro) naar de stad rijden. Te voet zou omwille van de omvang en de hectiek in de stad geen aanrader zijn. Bussen zijn een goedkoop alternatief, maar die zitten allemaal afgeladen vol. Sommige mensen hangen zelfs uit de deur. Hoe moeten we daar in hemelsnaam met onze bagage bij geraken? Er zit dus niets anders op dan een taxi tegen te houden. Na een rondje onderhandelen krijgen we de prijs naar 400 rupees (3 euro) gedrukt. Voor dat geld kunnen we mee in een Suzuki Maruti 800, de alomtegenwoordige taxi van Kathmandu en tegelijk ongeveer de kleinste auto die ik ooit zag. Ducktape houdt de boel aan elkaar en in de koffer past nipt één rugzak. Ik plooi me dubbel en zit alsnog met mijn knieën tegen het dashboard en met mijn hoofd tegen het plafond. De versnellingspook telt amper vier versnellingen en port diep in mijn been als hij in eerste vertrekt. Maar de vele stickers, gouden beeldjes en muntstukken zorgen voor een gezellig interieur. Met wat gerammel smijten we ons in het drukke verkeer.

 

Met voorzichtigheid kom je hier nergens. Assertief rijgedrag is de norm. Het is ongelooflijk hoe ze hier spookrijdend en slalommend hun rempedaal zoveel mogelijk ontlasten. Je knijpt een paar keer de ogen dicht, maar de overstekende voetgangers lijken zich bij aanstormend verkeer niet druk te maken. Kahtmandu is één van de vervuilendste steden ter wereld en dat kan je na enkele minuten al niet meer ontkennen. De straten liggen bezaaid met afval en stof waait de hele tijd op. Het is boeiend om deze smalle, chaotische straten te zien. Taxi’s, brommers, voetgangers, dieren, eetkramen, … Er gebeurt zoveel tegelijk op zo’n kleine plaats. Claxonneren doe je hier trouwens enkel om anderen te waarschuwen voor je komst. En zelfs al word je hier om de haverklap van je sokkel gereden, toch is er van gevloek of agressie geen sprake. Integendeel. In de levendige straten begroet iedereen je onafgebroken met het vrolijke ‘Namaste’ (hallo).

 

Je komt ogen tekort om deze plek gade te slaan. De elektriciteitsdraden krullen in elkaar zodat het je onmogelijk lijkt om hier een defect aan te verhelpen en massaal veel reclameborden hangen tot drie verdiepingen hoog boven elkaar aan de gevels. Kleine winkels zijn tot aan het plafond gevuld met trekkingspullen en hostels bieden overal een rooftopbar aan. Zo ook de Mountain Backpackers Hostel, onze thuis voor de komende vijf nachten. De kok van het hotel, een knaap van nauwelijks vijftien, tovert voor het eerst in een maand lekker eten op ons bord. Wat een verademing. 

Dashain Festival

De volgende dag ontdekken we de hoofdstad met zijn doolhof aan kleine straatjes. Dag of nacht, het leven bruist hier de klok rond. Wat een ongelooflijke drukte overal. De mensen dragen de vrolijkste kleuren en proberen ook hun straten zo opgewekt mogelijk te versieren. Het zijn de laatste dagen van Dashain, het belangrijkste religieuze festival van Nepal, waarbij ze de overwinning van goed op kwaad vieren. De honderden kleine tempels in de stad worden veelvuldig bezocht en iedereen loopt met bloemenkransen of kleurrijke stippen op het voorhoofd. We zijn nog niet ver van het hotel of een sadhoe stempelt zijn duim ook boven onze ogen. We weten niet waar eerst te kijken. 

Monkey Temple

Gelukkig weten we wel waar we eerst naartoe willen: Swayambhunath. Deze tempel staat beter bekend als de Monkey Temple en een snelle blik verklaart probleemloos de oorsprong van die naam. Het wemelt er van de apen. Ze springen op muren en controleren de hele tijd of ze het eten van de voorbijgangers niet kunnen stelen. We banen ons een weg door hun speeltuin en beklimmen enkele honderden trappen naar de top van de heuvel. Daar blinkt een gouden tempel in de zon. Het complex is groot en de versieringen zijn prachtig. Vanop de rand kijk je neer op de Nepalese hoofdstad. Dit is een viewpoint met vijf sterren. 

Terug naar de stad maken we kennis met een keerzijde van Kathmandu en Nepal in zijn geheel. De straten liggen vol afval en de bewoners werpen hun plastic en papier zonder schroom in de rivier. Honden liggen overal in het midden van de weg te slapen en schrikken niet eens op van het drukke verkeer rond hen. We lopen door een buurt die zwaar getroffen werd door de aardbeving van 2015 en die bij gebrek aan financiële middelen slechts mondjesmaat terug tot leven komt. De straat is van zand met hier en daar wat puntige keien. Voor de gevels liggen gestapelde stenen en binnen zie je mensen hun huis terug opbouwen. Winkels zijn niet groter dan een westerse toiletruimte en het fruit dat ze verkopen lijkt van drie oogsten geleden. Het vlees en de vis op de tafels liggen wellicht al dagenlang te blakeren in de zon en de geur die er hangt bevestigt dat vermoeden. Kippen kakelen doelloos rond tussen metalen golfplaten die ze aan elkaar knutselen tot huizen. Deze beelden heb je ooit wel eens ergens met een half oog zien passeren, maar bij de reële confrontatie trek je ze toch helemaal open van verbazing.

Durbar Square

Nochtans loop je hier niet in één of andere achtergestelde wijk, want vlakbij ligt de Durbar Square, het culturele hart van de stad. Op dat plein vind je verschillende tempels die qua architectuur niet extreem van elkaar verschillen. Maar dat neemt niet weg dat het geheel achter iedere hoek blijft verrassen. Je kan jezelf compleet verliezen in het gedetailleerde houtsnijwerk waarin ontelbaar vele figuren zijn uitgewerkt. Op iedere hoek zitten sadhoes in hun kenmerkende gele gewaden terwijl honderden duiven opvliegen wanneer een aap over het plein komt gelopen. Dit is een perfecte plek om een namiddag mensen te spotten. Het zal heus niet vervelen want de bevolking is hier uitermate kleurrijk en fotogeniek.

Patan

We maken een uitstap naar Patan, een kleinere stad in het zuiden van Kathmandu. Voor een taxirit van amper een kwartier betaal je na het obligatie afbieden een prijs van ongeveer 300 rupees (2,5 euro). Toch verkiezen we de tuktuk. Die doet er iets langer over maar kost ons nauwelijks 40 rupees (0,31 euro). De beste dagen van onze tuktuk zijn inmiddels lang vervlogen. Het stuur hangt met groene plakband aan elkaar, de snelheidsmeter komt niet meer los van de nul en het lawaai van de motor smeekt om een bezoek aan de garage. Zittend op een harde bank grijpen we ons vast aan het plafond. We kruipen dicht tegen elkaar aan maar vergeleken met andere overbeladen tuktuks hebben we het best nog breed. Bij iedere put krijgen we een harde dreun. Achter ons zien we motors langs alle kanten heen en weer over de weg slingeren. In tegenstelling tot in China dragen de bestuurders hier een helm. Vreemd genoeg doen de passagiers achterop dat niet. Alsof die kinderen en bejaarde dames voldoende reflexen hebben om een crash zonder verwondingen te overleven…

 

Ook in Patan heb je een Durbar Square. Soldaten patrouilleren om bezoekers zonder inkomtickets naar de betaalkiosk te leiden. Daar betaal je als buitenlander 1000 rupees. Inwoners van de SAARC landen zijn welkom voor 250 rupees en Nepalezen betalen er amper 100. Het systeem voelt daardoor nogal discriminerend aan. En dat is het al helemaal als een soldaat jou in de menigte aanspreekt terwijl achter zijn rug horden andere toeristen zonder ticket doorlopen. De truc zonder magie bestaat er dus uit om het plein te verlaten eens je bent opgemerkt en vervolgens via een andere kant terug binnen te lopen. Het bezoek vraagt op die manier misschien iets meer moeite, maar we willen onszelf niet verslijten als de enige, benadeelde toerist die bijna 8 euro neertelt om over een centraal plein te lopen in één van armste landen ter wereld.   

Golden Temple

Het moet gezegd. Het plein is mooi. Vooral de Krishna Mandir springt met zijn zilveren versieringen in het oog. Enkel Hindu mogen deze tempel betreden en het eren ervan staat gelijk aan het eren van alle Hindu tempels. Het is indrukwekkend hoe het houtsnijwerk van deze gebouwen tot in de details is uitgewerkt. Sommige tempels zijn nog in wederopbouw na de aardbeving van 2015 maar het maakt het plein alvast niet minder iconisch. Vanaf hier loop je in een paar minuten tijd naar de Kwa Bahal, de Golden Temple. Het twaalfde eeuwse complex is in een rijhuis ondergebracht, maar het gedetailleerde interieur brengt je zo in een andere wereld. Een monnik neemt ons spontaan bij de arm en introduceert ons in het buddhistische bestaan. Hij leidt ons langs de verschillende bellen en gebedsmolens en leert ons de alomtegenwoordige mantra OM MANI PAD ME HUM. Terwijl je in wijzerzin langs de tempel loopt, draai je alle cilinders die je tegenkomt met de klok mee. Op die manier draai je alle negatieve dingen van je weg en keert de positieve energie naar je terug. De mantra staat overal beschreven, zit in veelvoud verstopt binnenin de gebedsmolens en wordt door de gelovigen de hele dag door herhaald. Je dient het minstens drie keer na elkaar op te zeggen om geluk te verkrijgen, maar hoe vaker je het doet hoe groter het succes zal zijn. Voor je het goed en wel beseft heeft de oorwurm je te pakken en predik je zelf onophoudelijk de zes lettergrepen.

 

We raken wat in de ban van het boeddhisme. De namen van de goden en de Dharma (of leer) van het levenswiel zijn nog te hoog gegrepen, maar de symboliek in deze filosofie boeit ons enorm. Door de symbolen te herkennen en te begrijpen, zien we pas echt wat er rondom ons gebeurt en hoe de gelovigen zich gedragen. De mantra’s en gebedsmolens zijn alomtegenwoordig, maar dat geldt ook voor de lotusbloemen, de gebedskralen of de kleurrijke gebedsvlaggen. 

Op visite bij een levende godin

In de namiddag tillen we onze buddhistische inwijding naar een hoger niveau. We hebben een afspraak met de Kumari. Dat is de enige levende godin ter wereld. Voor wie dat nog niet vreemd genoeg klinkt, stel ik haar even voor. De Kumari is een overblijfsel uit een eeuwenoude legende waarbij een godin in de vorm van een klein meisje zou reïncarneren bij de Shakya bevolking. Een glimp van deze godin opvangen zou gelijkstaan aan een gelukkig leven. Die traditie houdt anno 2019 nog steeds stand. Priesters en astrologen bepalen in welk meisje de godin is teruggekeerd. Naast een bepaalde horoscoop, moet ze aan 32 specifieke uiterlijke kenmerken voldoen. Met zwart haar, prachtige ogen en een vlekkeloze huid maken wellicht veel kinderen in deze regio kans. Maar de schifting gaat snel als ze kandidaten screenen op lange en dunne armen, een welluidende stem of een lichaam als een wilde vijgenboom. Helemaal te gek wordt het als ook volgende kenmerken onderzocht worden: een nek als de schelp van een zeeslak, de borst van een leeuw of de wimpers van een koe. Je mag dan wel als levende godin aanbeden worden, er zullen wellicht niet veel vrouwen beginnen glunderen als ze aan de hand van die criteria worden omschreven.

 

De Kumari wordt verkozen op een leeftijd van 3 tot 5 jaar en wordt vervolgens van haar familie weggehaald om in een paleis te wonen. Daar leeft ze volgens een strikt dieet en mag ze niet wenen, lachen of praten in het openbaar. Ze draagt altijd rood en heeft een geschilderd vuuroog op haar voorhoofd waarmee ze iemands toekomst kan voorspellen. Aangezien ze heilig is, mag ze met haar voeten enkel thuis de grond dragen en wordt ze op alle andere plekken gedragen. Ze gaat niet naar school want niemand mag haar bevelen of tegenspreken. Zelfs de eerste minister, de leider van Nepal, moet om haar goedkeuring vragen. Haar leven bestaat uit het zegenen van mensen in ruil voor offers. 

 

Dus daar staan we dan. Zenuwachtig en niet goed wetend wat te verwachten. We doen onze schoenen uit en gaan de trap op naar de eerste verdieping. Een vrouw spoelt water over onze zweterige handen. Aan de muur hangen enkele tekeningen van de Kumari. Boven de omtrek van haar kleine kinderhand heeft ze in glitters ‘Welcome’ geschreven. Plots passeert ze, gedragen in de armen van een vrouw. Ik schat het meisje hooguit een jaar of vijf. Een minuut later mogen we bij haar binnen. De ruimte is leeg en aan de overkant zit de Kumari op haar troon. Ze heeft een weelderig, rood kleed aan en is fel geschminkt. Ze kijkt droevig en verveeld, maar heeft natuurlijk strenge gedragsregels opgelegd gekregen. Met een bonzend hart stap ik naar haar toe en zak op mijn knieën. Zelfs geknield ben ik groter dan haar. Ik offer 50 rupees waarna ze met haar duim een rode tika op mijn voorhoofd duwt. Ze geeft me enkele grassprieten mee om mijn haar te tooien en blijft onbeweeglijk zitten als we een foto nemen. 

 

Sterk onder de indruk komen we buiten. Ik kan de ‘waarom’ en ‘hoe kan dit’ in mijn hoofd niet beantwoorden. Het is triestig maar tegelijk enorm intrigerend. We blijven nog een half uur bij haar op de stoep zitten om deze ontmoeting te verwerken. Dit meisje heeft geen jeugd. Want ze blijft Kumari totdat ze voor het eerst een druppel bloed verliest. En meestal is dat pas bij de eerste menstruatie. Ook nadien blijft haar leven anders dan datgene van een doorsnee kind. Integreren in de maatschappij is erg moeilijk door haar leerachterstand en doordat ze moet wennen aan mensen die haar zullen tegenspreken. Bovendien voorspellen de mythes haar een leven vol onheil. Zo zal volgens het geloof de man waarmee ze trouwt binnen het half jaar sterven. Deze ontmoeting klasseer ik in de categorie speciaal. Ik heb zowaar een godin ontmoet…

De lokale bus

Het drukke verkeer brengt ons snel weer in de werkelijkheid. De drukte en vele brommers raken we in zekere mate gewoon, maar op elke hoek van iedere straat ontdek je nieuwe verrassingen. Is dit een busstation? Mensen lopen nonchalant tussen het verkeer. Verkopers zitten tussen bergen afval op de grond met hun kleren en groenten aan hun voeten. Bussen manoeuvreren zonder logica kriskras door elkaar. Met deuken in de motorkap, ontbrekende ramen en gaten in de carrosserie zouden deze wrakken bij ons zelfs op het autokerkhof geweigerd worden. Maar hier is het een populair, lokaal en goedkoop transportmiddel en zitten mensen dus tot tegen het dak op elkaar gestapeld. We krabben onszelf even in de haren maar voelen ons na het bezoek aan de Kumari gezegend genoeg om dit avontuur aan te gaan. 

 

We spreken in totaal zes chauffeurs aan om uiteindelijk de bus naar Ratna Park te vinden. Voor 50 rupees is de tweede bank van ons. Voor mijn benen is er geen plaats en dus versterk ik mijn gymnastiek vermogen. De bus vertrekt pas als ze vol is, maar gelukkig is dat in de spits slechts een kwestie van minuten. En dan wordt er op de koffer geklopt. De muziek gaat loeihard aan en de controleur springt op het allerlaatste moment binnen in de versnellende bus. Met een stevige zwaai probeert hij tevergeefs de schuifdeur dicht te smijten. Het interieur is gammel en werkt blijkbaar niet altijd mee. De chauffeur zwiept zijn rammelende bak met lef het verkeer in en bumpert iedereen aan de kant. Af en toe verplaatsen we met onze bank en al een paar centimeter naar voor als hij zijn remkracht maximaal benut om een fietser ternauwernood te ontwijken. We duiken in gaten die er in mijn ogen niet eens waren en stoppen enkel om nog wat extra mensen op te pikken. Helemaal veilig kunnen we de rit niet beoordelen, maar wat beleven we een ongelooflijke rush aan adrenaline. Dit is fantastisch. Dit is wat we willen ervaren, een onderdompeling in het dagelijkse leven van een local. 

Leven en dood 

Die interesse in de échte Nepalese cultuur brengt ons een dag later op minder euforische gronden als we een bezoek brengen aan Pashupatinath waar dagelijkse crematies plaatsvinden. Jawel, het klinkt luguber maar in dit geloof is de dood geen taboe. Hoe dichter we komen, hoe meer rook we in de verte zien opdoemen. We betalen 2000 rupees (16 euro) inkom. Het is vreemd om geld te betalen voor een begrafenis, maar hier is het volkomen normaal dat buitenstaanders en toeristen het afscheid van een vreemde volgen. We hadden gedacht dat we het ritueel vanop grote afstand zouden kunnen gadeslaan, maar in de realiteit zit je er haast bovenop. En dat is erg aangrijpend. 

We staan op de oever van de heilige Bagmati River. Aan de overkant, nauwelijks twintig meter verder, zijn heel wat mensen samengekomen om afscheid te nemen van hun naasten. Verschillende begrafenissen worden tegelijk voltrokken en dit gaat de hele dag en nacht door. Mensen uit het hele land komen naar deze plek om hier te sterven en begraven te worden. We zien lichamen die met hun voeten in de rivier worden gelegd en door de familie worden besprenkeld met het water dat voor hen heilig is. Je hoort mensen luid wenen en roepen als tekenen van verdriet en rouw. Sommigen worden ondersteund. Hun benen kunnen het verlies momenteel niet dragen. Het is hartverscheurend. Eens gewassen, worden de lichamen versierd. Ze zijn gewikkeld in mooie oranjerode gewaden terwijl de familie verschillende oranje bloemenkransen over het lichaam drapeert. Een priester in een wit gewaad leidt de ceremonie waarbij de overledenen naar een stenen platform worden gedragen en bovenop een stapel hout worden gelegd. De broers lopen met brandend vuur enkele rondjes rond de stapel. Vervolgens doet de rest van de familie hetzelfde. Tenslotte wordt het lichaam in brand gestoken en het as in de heilige rivier uitgestrooid. 

 

Dit hakt erin. De dood neemt in dit geloof een heel andere plaats in dan bij ons. Mensen zijn hier niet bang om te sterven en het leven en de dood zijn hier in één beeld verenigd. Nauwelijks vijftien meter voorbij de crematies spelen apen in het water en wast een kleine jongen zijn t-shirt in de rivier. Mensen nemen foto’s van de meest schrijnende taferelen. Je moet aanvaarden dat het hier onderdeel van de cultuur is, maar voor ons is het vooral heel confronterend. We rekken ons bezoek niet langer dan nodig en de diepe indruk zindert na een lange stilte nog steeds na.  

De heilige koe

Gelukkig zorgt het Nepalese leven opnieuw voor vrolijkere noten op weg naar de Bouddhanath Temple, één van de grootste en mooiste complexen in Nepal. We zien kinderen spelen op heel grote schommels van bamboe en volgen twee koeien die zorgeloos over straat slenteren. Auto’s en motors scheuren rakelings langszij maar de heilige runderen malen er niet om. Een grote stier raakt verlekkerd door een groentekraam langs de weg. Hij schrokt snel een bloemkool naar binnen voordat de verkoper naar buiten komt gerend om zijn handel te redden. Enkele bloemkolen rollen over straat terwijl de koe ongegeneerd verdergaat. De man raapt ze op en legt ze zonder afkuisen terug bij zijn oogststapel. Als je weet hoe stoffig en vuil alles hier is, dan verdwijnt je trek in bloemkool alvast voor een paar uren. Wat verder staan de koeien al terug gratis te schranzen. De mensen laten begaan. Het leven is makkelijk als je hier als heilig dier wordt beschouwd. 

 

De Bouddhanath Temple is enorm. De grote gouden top steekt fel af tegen de blauwe lucht en de witte basis. Op de muren staan in alle vier de richtingen twee grote ogen geschilderd. Ze zijn bedoeld opdat de buddha alles kan zien en iedereen kan beschermen. Op een bankje zien we een massa mensen keer op keer passeren. Draaiend aan de gebedsmolens leggen ze minstens zes tot tien ronden af. Onder hen veel Tibetanen die hun kralen bij elke uitgesproken mantra een bolletje verder in de hand duwen. We bestuderen de stoepa vanuit elke hoek. Dit is Scherpenheuvel maar dan boeiender en mooier. Rondom bezoeken we verschillende kloosters. Binnen staan grote, gouden beelden van verschillende buddha’s en de fasen uit het levenswiel staan op het plafond en alle muren geschilderd zodat ook analfabeten het geloof kunnen interpreteren. Het lijkt wel de Sixtijnse kapel. Vanop de rooftop bars hebben we een prachtig uitzicht op het geheel. Ideaal om bij een romantisch diner alle indrukken van de dag te laten bezinken. 

Uiteraard reizen we terug in stijl naar Thamel. Langs de stoffige zandweg doen we een lokale bus stoppen. Ratna Park blijft ons enige herkenningspunt in dit kluwen van straten en gelukkig gaat de rammelbak net die kant op. Binnen is het nog krapper dan in de bus van gisteren. Ik sta voorovergebogen onder het lage dak. Ze manen me aan om te gaan zitten, maar dat is niet evident. Ik maak me zo smal als ik kan en plof neer op het reservewiel achterin de bus. Welgeteld zeven knieën zorgen ervoor dat ik niet heen en weer kan geslingerd worden in de vele putten. Eline zit op de rand van een bank en moet zich concentreren om niet uit de bus te vallen. Bij iedere halte lijkt de passagierslijst te verdubbelen. Uiteindelijk zitten we met zeventien in een koffer waarin amper 6 reglementaire plaatsen voorzien zijn. De locals lijken het te appreciëren dat wij voor hun lokaal transport kiezen. Dat doen wij en onze portemonnee ook. Want voor deze ervaring betaal je slechts een tiende van een taxiprijs. En dit is zonder twijfel zoveel interessanter. 

Annapurna Circuit

Intussen ligt het plan voor onze trekking op tafel. Onze keuze valt op het Annapurna Circuit waarbij je in een grote ronde van 210 km door de Himalaya naar de hoogste pas ter wereld, Thorung La Pass, wandelt en klimt. Het wordt een meerdaagse, fysieke en mentale beproeving, maar de verhalen van onze nieuwe vrienden in de hostel maken ons ongeduldig. Dus vullen we onze laatste tijd in Kathmandu met shoppen. Dat is een goedkope maar niet te onderschatten dagtaak in Thamel, het absolute walhalla voor trekkingspullen. Het aanbod is eindeloos. De hele dag lopen we winkels in en uit en proberen we de kwaliteit af te wegen tegen een aanvaardbare prijs. Het constante afbieden is een tijdrovend en vermoeiend proces, zowel voor ons als voor de winkelier zelf. Na een tijd ben je het overzicht volledig kwijt en weet je niet meer waar je wel of niet bent langs geweest. 

 

Waar je wel zeker van kan zijn, is dat de producten hier nep zijn. Merken als Pamu of The North Fake worden voor echt verkocht, maar sommige verkopers zijn heel open en zelfs trots op hun namaak. Zo kopen we een backpack in een kleine winkel waarvan de verkoper met zijn breedste glimlach wijst op de goede kwaliteit van zijn lokaal in elkaar genaaide producten. We wagen het erop en kopen zijn 45 liter grote rugzak. Met nog wat thermisch ondergoed, lange broeken en t-shirts is onze bescheiden uitzet compleet. Nog één keer slapen en dan trekken we te voet de Himalaya in!

Reactie schrijven

Commentaren: 4
  • #1

    Tamara (dinsdag, 05 november 2019 21:26)

    Weeral een boeiend verslag! Ik kijk altijd uit naar jullie verhalen!! Veel plezier op het Annapurna Circuit! Tot gauw �

  • #2

    Erna (woensdag, 06 november 2019 10:39)

    Eindelijk nog eens nieuws,kunnen wij ook een beetje meegenieten van jullie avonturen,dikke kus en tot de volgende x

  • #3

    Viviane (woensdag, 06 november 2019 11:40)

    Joepie, weer een boeiend verhaal van onze coolste buren! Dit keer was het lang wachten. Ik geniet zo van die verhalen!
    Blijven jullie maar genieten van de reis. Vol ongeduld wachten wij op weer een boeiend, inlevend en speels geschreven verhaal!
    Thx Tom

  • #4

    Paula Van den Broeck (vrijdag, 08 november 2019 05:13)

    Namaste
    Wat een reis en wat een mooi geschreven belevenis.
    Ik geniet volop mee met jullie
    Een dikke knuffel uit Duffel
    Paula