· 

Cambodja, een land naar ons hart

Van Siem Reap naar Battambang

Een tuktuk brengt ons in de ochtend naar een centraal punt in de stad. De kar die achter zijn brommer gespannen is, voelt niet heel veilig. Ik durf mijn volle gewicht niet tegen de rugleuning leggen en bedenk me dat een investering in nieuw materiaal niet lang meer kan uitblijven. We stappen na een half uur over op een warme, kleine bus en overbruggen in een viertal uur de tweehonderd kilometer richting Battambang. Dat is de derde grootste stad van het land, de hoofdstad van de gelijknamige provincie en een thuis voor 250.000 inwoners. Na het glamoureuze Siem Reap geeft deze stad eerder een drukke en stoffige indruk. Het jaarlijkse toeristenaantal ligt hier dan ook beduidend lager. 

M/v zkt stok

We huren twee simpele stadsfietsen en rijden door het stof naar Bat Dambang. Het standbeeld op deze rotonde is van groot belang voor de inwoners van de stad. De legende leert ons dat een herder in het bos geen lepel bij zich had om zijn eten te roeren. Als alternatief gebruikte hij een stok. De rijst kleurde volledig zwart maar desondanks at hij alles op. Het maakte hem zo sterk dat hij zelfs een tak van de Kranhoung boom kon breken, een boom waarvan gezegd wordt dat het hout sterker is dan ijzer. Hij maakt er een wapen mee, verjaagt de koning en neemt de macht over. Maar de gevluchte koning zoekt heil bij de goden. Ze leveren hem een wit, vliegend paard waarmee hij een tegenaanval op de stad pleegt. De herderkoning slingert zijn machtige stok naar de aanvaller, maar mist zijn doel. Sindsdien is de stok verloren geraakt in de provincie en niemand weet waar hij zich nu bevindt, maar tot op de dag van vandaag zijn er nog steeds mensen actief naar op zoek.

De Killing Cave

Via een brede, drukke weg rijden we twintig kilometer verder naar Phnom Sampeau. Gelukkig loopt de etappe over vlakke wegen, al mogen we de wind en extreme hitte als uitdagend bestempelen. Vrachtwagens passeren de hele tijd op een armlengte van ons, maar verschieten doen we pas wanneer een lang ding plots over de weg kronkelt. Voor ik het goed en wel besef rijd ik erover en trek mijn benen op. Een meterlange, dunne slang kronkelt ongestoord verder naar de kant van de weg. Laat dat dan de Cambodjaanse inwoner zijn die we liever niet ontmoeten. De rest van de bevolking heeft al lang een plaats in ons hart want overal waar we passeren, worden we enthousiast en met een brede lach onthaald. 

 

Phnom Sampeau is een hoge berg in een verder vlak landschap. Via een lange trap zweten we ons een weg naar boven en worden onderweg verrast door een groep apen. Wanneer ze onze fles water stelen, hebben we geen antwoord. Het is ongelooflijk hoe deze dieren de dop van de fles schroeven en eruit drinken als ware het mensen. In de wanden van de rots zitten vele grotten. Met onze hoofdlamp wagen we ons naar binnen waar enkele glinsterende attributen ter verering liggen verstopt. De grot loopt nog veel dieper door, maar enkele enge geluiden volstaan om ons terug naar het daglicht te doen snellen. Niet onbegrijpelijk als je weet dat deze heuvel en grotten bekend staan als... de Killing Cave.  

Compleet van de pot gerukt

Het is onze eerste ontmoeting met het tragische verleden van Cambodja. Voor wie niet helemaal op de hoogte is, even een korte opfrissing. In 1925 wordt Saloth Sar geboren in een welgestelde boerenfamilie. Tijdens zijn studies in Parijs ontdekt hij het stalinistische communisme. Geïnspireerd keert hij naar zijn thuisland terug en werkt zich op tot leider van de Cambodjaanse Communistische Partij, beter bekend als de Rode Khmer. Koning Sihanouk verzet zich tegen deze partij maar verliest de troon wanneer Lon Nol in 1970 een staatsgreep pleegt. Nol wordt gesteund door de VS die het communisme wil weren en de Vietcong wil afhouden. Om dat resultaat te verkrijgen, blijft de VS ook in Cambodja talloze bombardementen uitvoeren.

 

Het dwingt de bevolking van het platteland naar de steden. Intussen plant Saloth Sar onder zijn strijdersnaam Pol Pot een revolutie. Nu de Cambodjanen het geloof in de aanpak van Lon Nol hebben verloren, wint Pol Pot snel aan populariteit. Wanneer de Amerikanen zich in 1975 terugtrekken uit de hoofdstad, neemt het leger van Pot de stad over en roept het jaar nul uit. Dit moet de start worden van een nieuwe samenleving, zelfvoorzienend en zonder ongelijkheden. Het applaus en gejuich verdwijnt echter snel wanneer hij slechts enkele uren later iedereen naar het platteland begint te deporteren. Hoofdstad Phnom Phen en Battambang veranderen in geen tijd in spooksteden. 

Hij heeft er een potje van gemaakt

‘Modernisatie is gevaarlijk en onzuiver’, dixit Pot. Het is het begin van een vreselijke tijd. Banken, onderwijs en religie worden afgeschaft. De nationale munt verdwijnt. Privébezit bestaat niet meer. Families worden gescheiden en als dwangarbeiders ingezet. Twaalf uur per dag, zeven dagen op zeven. Zware werkomstandigheden, ondervoeding en lak aan medische zorg maken slachtoffers. Intelligente mensen worden koudweg vermoord. Dokters, monniken, artiesten, ... Zelfs het dragen van een bril, het bezitten van een boek of het spreken van een andere taal wordt als intelligent bestempeld en eindigt in een gruwelijke moord. Elke dag moet je je fouten bekennen en de fouten van anderen verklikken. Martelingen volgen. Soms zo erg dat je fouten toegeeft die je niet eens hebt gemaakt. Door de angstcultuur durft niemand zich te verzetten. Pol Pot beseft niet dat hij door het elimineren van de kennis geen oplossing weet voor het herstellen van kapotte machines, misoogsten en gebrek aan ontwikkeling. Zijn plan mislukt finaal. Maar in amper vier jaar zorgt hij met zijn verwoestend regime voor de dood van bijna 2 miljoen Cambodjanen. Dat is een kwart van de bevolking! Pas in 1978 verdrijven de Vietnamezen het leger van de Rode Khmer. Dat is verbijsterend genoeg amper 42 jaar geleden. Als klapstuk: Pol Pot, die stierf in 1998, heeft zich nooit verantwoord voor zijn daden en heeft altijd volgehouden een zuiver geweten te hebben. 

 

Enkele gruwelijke standbeelden tonen de martelingen. Tongen worden uitgetrokken, verdrinkingsdood, in een cactus klimmen terwijl ze je met speren hogerop dwingen om nadien gebonden aan handen en voeten met een ferme tik de diepe grot ingesmeten worden. Wie ‘geluk’ had, was op slag dood. Wie de klap overleefde, wachtte een lange en pijnlijke hongerdood. In deze grot kwamen tienduizend Cambodjanen aan hun einde. Met een trap dalen we af in de duisternis. De akelige stilte zet het haar op je armen overeind. In een kloof van de grot is een tempel opgericht. De gouden shrine verhult de gruwel niet. Een berg doodskoppen en botten liggen op elkaar gesmeten. Barsten in verschillende schedels en een tandenrij die wat onderdelen mist. De details van de martelingen zijn pijnlijk zichtbaar. Deze plek grijpt je naar de keel. We staren een tijdlang in absolute stilte en dalen vol ongeloof de griezelige berg terug af. 

Vliegende kunst

Daar nemen we plaats op een geïmproviseerde tribune met de blik op een groot gat in de rotswand. Mondjesmaat worden alle stoelen ingenomen. En dan voltrekt zich om kwart voor zes een natuurwonder. Net voor zonsondergang vliegen de eerste vleermuizen de grot uit. Een lange, zwarte stroom verspreidt zich door de blauwe lucht. Het zijn er veel. Ontelbaar. Schattingen vermelden aantallen tot 6,5 miljoen vleermuizen. Pas morgenvroeg zouden ze na een lange nacht terug naar huis keren. We rijden met de fietsen wat weg van de berg en volgen in de slipstream van het peloton dat zich kilometerslang uitstrekt. De hemel kleurt regenboogmooi terwijl het zwarte gefladder er allerlei kunstzinnige strepen in trekt. Dit is spectaculair. Dit is een hoogtepunt. Dat we nadien nog vijftien kilometer in het donker moeten terugfietsen, deert ons niet. Met onze hoofdlamp op de sterkste stand, knallen we op puur enthousiasme terug de stad binnen. 

(Vispast)eikes!

We verkennen ook het noordelijke gebied boven Battambang. Na een uur fietsen door kleine, arme dorpen komen we bij de Prahok Factory. De hangar ziet er bouwvallig uit en lijkt op het eerste zicht niets bijzonder. Maar onder deze triestige golfplaten daken wordt wel degelijk een Cambodjaanse specialiteit bereid: fish paste. Voor wie spontaan begint te watertanden, toch even deze belangrijke voetnoot in de vorm van een understatement: fish paste stinkt. In die mate dat je voor even zelfs je reukzin vervloekt. Maar je darmen gaan pas helemaal overstag zodra je het productieproces van dichterbij bekijkt. 

 

Overal waar je kijkt, zie je vis. Kleine pick-ups voeren ze onafgebroken aan. Kisten van 140 kg per stuk worden continu gelost. Mannen, vrouwen en kinderen zitten gehurkt op de betonnen vloer. Meedogenloos grijpen ze de ene vis na de andere. In korte, snelle bewegingen hakken ze de boel in mootjes. Ingewanden worden op stapels verzameld. De goede stukken vis verdwijnen in vaten van zout waar ze twee weken lang fermenteren. Emmers vol vissenkoppen worden door een lawaaierige machine geduwd om er aan de andere kant als vieze smurrie uit te lekken. Voila. Aanschouw hier de basisingrediënten voor de vispastei die naar alle uithoeken van Cambodja wordt geëxporteerd. Zelfs zonder proeven hebben wij er onze buik van vol. 

Andere specialiteiten

Enkele kilometers verderop stoppen we bij een oude vrouw. Op haar oprit snijdt ze bananen in flinterdunne schijfjes. Ze legt ze nadien te drogen in de zon tot haar bananenchips lekker krokant is. Het is ambachtelijk en tijdrovend werk, maar het recept brengt onze magen en darmen wat gemoedsrust. Deze chips smaakt verslavend lekker. Onze culinaire route brengt ons nadien langs een familie die rijstpapier maakt. Dat is meteen de trekpleister van dit kleine dorp dat bekend staat als Rice Paper Village. Een oude vrouw toont ons het proces. De gekookte rijst wordt na een tijd een dikke brij die ze op houten geweven panelen laten drogen in de zon. Het eindproduct is een doorzichtige schijf alsof het een reusachtige hostie betreft. Ze gebruiken dit rijstpapier om spring rolls te maken. We bestellen een portie maar blijven kritisch. De textuur is vreemd en het is lastig om het in stukken te bijten, maar we prijzen ons vooral gelukkig dat ze niet gevuld zijn met vispastei. 

In shock

Een lange busdag brengt ons naar de hoofdstad Phnom Penh. De stad geniet geen al te beste reputatie onder toeristen en weet ook ons niet echt te bekoren. De drukke straten zijn vuil en lijken allemaal op elkaar zodat je in geen tijd de weg dreigt te verliezen. Bovendien zijn hier absoluut geen toeristische voorzieningen zodat je heel wat tijd kwijt bent bij het zoeken naar een betaalbaar busticket. Maar deze stad overslaan is tijdens een bezoek aan Cambodja een misdaad. Want nergens wordt de wereld beter herinnerd aan de gruwel van Pol Pot dan hier en die geschiedenis hoort iedereen te kennen opdat ze zich nooit meer zal herhalen. 

 

Plaats van afspraak is het Tuol Sleng Museum. Deze voormalige school werd tijdens het regime van Pol Pot omgebouwd tot gevangenis en foltercentrum van de Rode Khmer. Een audiogids fluistert de vreselijke feiten in je oren totdat je geen woord meer kan uitbrengen. In blok A vonden de folteringen plaats. Iedereen die tegen Angkar was, belandde in deze hel. Angkar was de heilstaat en Angkar had altijd gelijk. Het regime was onverbiddelijk, de foltertechnieken mensonterend. Ze mochten niet schreeuwen. Dat zou de folteringen enkel langer of erger maken. De ijzeren bedden in de verder lege kamers zorgen voor koude rillingen. Donkere bloedvlekken zijn nog steeds zichtbaar op de vloer. In iedere kamer hangt een weinig verhullend portret van een gemarteld slachtoffer. Dit museum shockeert. 

The 'lucky' 7

Onschuldige mensen moesten misdaden bekennen waar ze niets mee te maken hadden. Louter opdat de leiders een reden tot doodstraf konden registreren. Zo verging het een voltallig ingenieursgezin met zes kinderen, want de slogan luidde: 

‘Wanneer je onkruid verwijdert, moet je ook de wortels verwijderen.’ Pol Pot kende geen ontzag. Volgens hem was het beter een onschuldige te vermoorden, dan een mogelijke vijand in de rangen toe te laten. Gevangenen werden aangesproken als ‘het’. Hij of zij, laat staan een naam, bestonden niet langer. Ongeveer 20.000 mensen kwamen hier om het leven. Slechts zeven mensen zouden deze hel overleven. 

 

Eén van hen is Chum Mey. We bezoeken zijn cel in gebouw B waar alle cellen werden ondergebracht. Zijn beide handen werden er aan een ketting gebonden. Hij bracht de dag geblinddoekt door. Wanneer hij iets morste, moest hij het van de grond oplikken. Dag en nacht kreeg hij slagen. Zo fel dat zijn rug te gewond was om er nog op te liggen. Als hij zich ’s nachts wilde draaien, maakte zijn kettingen lawaai. Dat was voldoende voor de wachter om hem opnieuw te folteren. Hij bekende onschuldige dingen. Zoals het verspillen van een lap stof of naalden die hij had gebroken. Flauwekul maar voor de Rode Khmer voldoende om hem er zwaar voor te straffen. Tot ze ontdekten dat hij machines kon herstellen. Zijn vaardigheden als monteur zouden uiteindelijk zijn vrijheid betekenen.

 

Vann Nath is andere overlever. Wanneer Dutch, de leider van de gevangenis, iemand zocht om een portret van Pol Pot te schilderen, stak Nath zijn vinger op. Hij was tekenaar en schilder maar nam een groot risico. Het portret moest immers perfect zijn. Oordeelde Dutch daar anders over, dan zou hij het met zijn leven bekopen. Gelukkig had hij niet over zijn talent gelogen en kan hij zijn verhaal nog navertellen. Dat doen ze ook. Chum Ney en Vann Nath zijn nog steeds iedere dag in het museum aanwezig. Beide helden verkopen hun biografie op de binnenkoer van het museum. Het is opvallend hoe fit en monter deze mannen nog steeds voor de dag komen. Ondanks hun leeftijd, ondanks hun verleden. Ze hebben bovendien hun charmante Cambodjaanse lach niet verloren. Respect is hier meer dan elders op zijn plaats. 

De magie van een nerd

Na deze confronterende beelden hebben we nood aan iets luchtiger en wonen we de Nerd Night bij op de rooftop van een bar. Tijdens dit tweewekelijkse initiatief krijgen vrijwilligers de kans om een korte presentatie over hun passie te delen. De regels: 20 slides in exact 7 minuten. We zijn, net als een zestigtal andere geïnteresseerden, benieuwd. De vijf sprekers van de avond brengen uiteenlopende thema’s aan. Van de Afrikaanse big five over samenzweringstechnieken tot een pleidooi voor luiheid. Maar de laatste spreker geeft de naam Nerd Night pas echt betekenis. Van alles wat hij vertelt, heeft niemand een letter begrepen. Nepotisme, de Vienna Convention of de Lagrand Decision. Zelfs Google toont ons het licht niet tijdens zijn uiteenzetting. Dus blijft spreker vier met voorsprong onze absolute favoriet. De Zuid-Afrikaanse Stuart Lightbody is immers geen onbekende. Hij reist als illusionist de wereld rond en weet iedereen met verstomming te slaan met zijn vingervlugge tovenarijen. Wanneer hij ons nadien nog even trakteert op een privé sessie tafelgoochelen, zijn we helemaal overtuigd. 

Het regime van de waanzin

Op een half uur rijden van de stad ligt Choeung Ek, beter bekend als de Killing Fields. Vrachtwagens brachten soms tot driehonderd mensen per dag naar deze plek onder het mom dat ze hier een nieuwe thuis zouden vinden. De gevangenen waren vastgebonden en dienden de hele rit stil te blijven. Deze operatie verliep immers in het geheim. Bij hun aankomst moesten ze hun naam aankruisen op een lijst, niet wetend dat ze daarmee hun doodvonnis ondertekenden. Ze verzamelden in donkere constructies zonder ramen. Wachtend op de dood. Het waren stadsmensen, geleerden, mensen met zachte handen of brillen. Hen houden, was volgens Pol Pot geen aanwinst. Hen verliezen, was geen verlies. 

 

Een generator zorgde tijdens de nachtelijke executies voor verlichting. Muziek moest de horror verdoezelen. Er werd nooit geschoten. Kogels waren te duur. Mensen werden dood geknuppeld met alle materialen die voor handen waren. Nadien werden ze met DDT overgoten. Wie nog niet dood was, zou dit poeder niet overleven en bovendien zou deze toxische stof de stank van rottende lichamen maskeren. Tot 450 lichamen werden in grote putten achtergelaten. Op deze 2,4 hectaren zijn niet minder dan 129 van die putten ontdekt. Maar dat is maar de top van de ijsberg. In heel Cambodja zijn tot dusver driehonderd massagraven ontdekt. En ongetwijfeld zijn nog niet alle lichamen geborgen. Jaarlijks spoelt het regenseizoen ook hier nog nieuwe tanden en botten bloot. Bewust graven doet men niet. Ze willen de mensen in vrede laten rusten. 

Waarom? In hemelsnaam, waarom?

We houden halt bij een put in de grond. Hier werden 166 lichamen geteld. Dit graf was bedoeld voor verraders. Soldaten die het regime hadden verraden en de paranoia van Pol Pot hadden geprikkeld. Ze hadden een Cambodjaans lichaam, maar een Vietnamees hoofd. Wat verderop staat een brede boom, de Killing Tree, waar kinderen voor de ogen van hun moeders werden gedood. Ondersteboven gehouden werden ze keer na keer brutaal tegen de boom gesmakt. Zo hard dat hersenen en bloed op de stam achterbleven. Honderden kleurrijke haarlintjes verstoppen vandaag de ergste littekens in deze boom. 

 

Een enorme stoepa is opgericht ter nagedachtenis. De zeventien niveaus verwijzen naar 17 april 1975, de dag dat de Rode Khmer de hoofdstad binnenviel. Elke verdieping is gevuld met duizenden schedels en botten. Barsten en gaten tonen aan waar een knuppel of machete de fatale slag toebracht. Maar hoe groot de stoepa ook mag zijn, er is niet genoeg plaats voor alle lichamen. Dit monument staat symbool voor de vrede. Voor een toekomst waar we liefst met z’n allen vredevol aan zullen werken. Maar net daarom fronst het onze wenkbrauwen dat de Rode Khmer tot in de jaren tachtig een zetel behield in de VN en dat landen als Engeland, Frankrijk, Duitsland en Australië hen als legitieme leiders bleven erkennen. 

Het jeugdige Cambodja

Het voelt vreemd om hier te lopen. Tussen bomen die getuige zijn van een vreselijke geschiedenis. Langs een vijver waar een stilte zijn droevige verleden liever verzwijgt. Hier is enkel plaats voor verdriet en onbegrip. Hier groeit de hoop dat de dood van deze onschuldige mensen de wereld tot inzicht brengt. Als wij vandaag steeds harder klagen over een gebrek aan privacy of ons storen aan een groeiend belang van social media, moeten we misschien eerder dankbaar zijn dat dankzij nieuwe technologieën dergelijke wanpraktijken niet langer onder de radar van de rest van de wereld kunnen blijven. 

 

De verhalen en indrukken zinderen nog een tijd lang na. We maken een lange wandeling door de stad om onze hoofden leeg te maken. Maar we kunnen het niet geloven dat miljoenen Cambodjanen in nauwelijks vier jaar tijd werden vermoord. Voor een verzonnen misdaad. Voor een simpele banaan. Uit willekeur. En terwijl het drukke leven in deze zinderende straten zijn dagdagelijkse gang gaat, valt het plots op dat hier nauwelijks oude mensen te bespeuren zijn. Een hele generatie is zonder pardon uit het straatbeeld verdwenen. Phnom Penh mag qua bezienswaardigheden en uitgaansleven dan wel minder troeven hebben, het vormt ongetwijfeld een onmisbare stap om het Cambodjaanse volk te kunnen begrijpen en waarderen. 

Bestemming paradijs

We reizen door naar het zuiden van Cambodja. De 150 kilometer lange busrit neemt zeven uur in beslag. Onophoudelijke wegenwerken en een ‘hoognodige’ stop bij de carwash bezorgen ons heel wat vertraging. Door wegenwerken zijn we bovendien genoodzaakt op zeven kilometer van onze bestemming uit te stappen. Zonder tuktuk chauffeur is het een onbegonnen zaak om de haven te bereiken. Hoeveel de rit moet kosten, mogen we van de chauffeur zelf bepalen. Een bizarre strategie die hem, niet wetend deze vrekken aan boord te hebben gesleept, later zal spijten. Sihanoukville stond als kuststad jarenlang garant voor een rustig verblijf aan zee, maar vandaag is letterlijk elke vierkante meter van de stad in een bouwwerf herschapen. Alle straten zijn opengebroken en op elke hoek schiet een wolkenkrabber de hoogte in. De Chinezen zijn vastberaden deze stad tot een waar casinoparadijs om te toveren. Aangezien gokken in China illegaal is, wagen ze hier hun kans. Dat ze daardoor het leven en de toekomst van de arme Cambodjanen ondermijnen, is niet hun zorg. De plaatselijke bevolking ziet hun komst alvast met lede ogen aan en vreest dat het behoud van hun job aan een zijden draad hangt. 

 

In de late namiddag stappen we aan boord van de veerboot. Het is drie kwartier varen tot Koh Touch op het eiland Koh Rong. Daar stappen we over op een kleinere boot die ons in twintig minuten naar Coconut Beach brengt. Het paradijs palmt ons meteen in. Turquoise water, witte stranden, palmbomen en absolute rust. Nog voor we onze slaapplaats gezien hebben, verlengen we ons verblijf met een aantal nachten. Slapen doen we in tenten tegen de wand van een heuvel vanwaar we uitkijken op de prachtige baai. 

Under the sea

We ontmoeten er heel wat leuke koppels en maken vrienden in Finland, Engeland, Frankrijk en Duitsland. We zullen uiteindelijk heel wat tijd samen spenderen en besluiten ook gezamenlijk een dagtocht te maken. Twee jongemannen presenteren zich als onze gidsen en hijsen ons aan boord van hun houten boot. We boksen tegen de golven en gaan stevig op en neer. Iets te stevig voor mijn maag zodat ik me al na een half uur waardeloos voel. Dus ben ik blij wanneer we na een uur voor anker gaan voor een klein, verlaten eiland. We snorkelen boven het koraal en speuren tussen alle spleten naar mooie vissen. Nadien maken we een stop bij Koh Touch en Longset Beach. Het witte strand is er elf kilometer lang, maar uiteindelijk gaan we er geen seconde aan wal. Het water is zo heerlijk warm en helder dat we verkiezen om zorgeloos te blijven dobberen. 

 

Na enkele uren fluiten de gidsen ons terug naar de boot. Dat is het signaal dat de barbecue klaar is. Met een ondergaande zon in de achtergrond genieten we van een heerlijk maal. Voor de terugvaart gelden er plots andere regels. De muziek gaat loeihard en enkel wanneer iedereen danst, zullen we nog een extra stop maken. De flessen whisky worden vlot met cola vergoten. Helaas is bij het tweede rondje de cola op en blijft er enkel nog een halve stokerij aan whisky over. Maar dat vertraagt de groei van het leeggoed nauwelijks. In die mate dat vrijwel iedereen stomdronken zijn evenwicht zoekt op de golvende boot. Een eind voor de kust van Coconut Beach gooit de gids opnieuw het anker uit. Hij stoot de smeulende barbecue om en probeert tevergeefs nog even een simpele zin geformuleerd te krijgen. Uit zijn dronken wartaal analyseren wij met de beste wil van de wereld enkele veiligheidsvoorschriften.

 

Die zijn nochtans niet onbelangrijk. Want zodra de boot zijn verlichting dooft, dobberen we in volledige duisternis. Het water lijkt pikzwart alsof we in een donkere smurrie van olie drijven. Maar het grote gevaar verschuilt zich onder water waar heel wat inktvissen, slangen en kwallen er ’s nachts op uittrekken op zoek naar voedsel. Vooral de aanwezige box jelly of kubuskwal is geen doetje. Een aanraking met zijn tentakels wordt je hoogstwaarschijnlijk fataal. Jaarlijks maken ze zo’n 200 slachtoffers in deze wateren. Ter vergelijking: ieder jaar sterven wereldwijd ongeveer vier à vijf mensen aan een haaienaanval. Ons besluit staat vast. Wij springen niet als eerste in het diepe. Een Frans meisje is dronken genoeg om het erop te wagen. Maar wanneer ze na twee minuten gehaast terug aan boord klimt en een bebloede knie toont, groeit onze onzekerheid. Temeer omdat onze dronken gids niet eens meer bij machte zal zijn om ons te helpen indien nodig.

Weet je wat ik zie als ik gedronken heb?

Maar de nieuwsgierigheid wint het uiteindelijk van de angst. Want het schouwspel dat we hier kunnen bewonderen, is slechts op een handvol plekken ter wereld te vinden: het glowing plankton of lichtgevend plankton. Bovendien moet je daarbij op zoek naar een zo duister mogelijke plek. Zelfs een volle maan kan het effect verstoren. Net daarom moeten we hier in het midden van de zee onze kans grijpen. We springen. We happen naar adem. En zodra we wild om ons heen slaan, ontstaat er een blauwe sterrenhemel met miljoenen lichtjes. Het zwarte water verandert plots in een discotheek vol vuurwerk. Alsof je als deejay zelf de lichtknoppen en effecten mag bedienen. Het is onbeschrijflijk en hoewel we er slechts een paar minuten van kunnen genieten, zorgt het toch voor een kick en onvergetelijke ervaring. 

 

De resterende dagen genieten we van de absolute rust op het eiland. We brengen uren door met de Duitse Kai en Lilia en vermaken ons in zee met de opblaasbanden van het hotel. We volgen een school vliegende vissen die voor onze neus uit het water opspringen en wiegen verliefd op de zeeschommel van dit aardse paradijs. ’s Avonds sturen we na een hevige one man fireshow enkele wensballonnen de lucht in, spelen we gezelschapsspellen en dineren we bij verlaten stranden. Kortom, over Koh Rong spreek je best in superlatieven.

De muizenissen van Kampot

We varen terug naar het vasteland waar een frisse cola mijn maag weer moet bedaren. Aan mij is er alvast geen heldhaftige zeebonk verloren gegaan. De bus voert ons naar Kampot waar we samen met de meegereisde Kai en Lilia een onderkomen voor de komende dagen zoeken. Die queeste verloopt niet zonder slag of stoot. In het eerste pand schrikken dronken toeristen ons af, het tweede hotel heeft geen vrije kamers meer en het derde schakelt zichzelf uit na het tonen van de prijzen. We zoeken heil aan de overkant van de rivier, maar ook daar krijgen we geen goed gevoel bij de erg kleine kamers zonder ramen. We hebben al heel wat kilometers met onze backpacks in de benen wanneer onze schouders de knoop zelf doorhakken. Dit verblijf moet het worden. We zeggen toe op twee kamers en dwingen een fikse korting af. De indringende marihuanageur krijgen we er zonder toeslagen bij. 

 

Maar wanneer we na een gezellige avond in de stad naar huis terugkeren, wacht er ons in de kamer een onaangename verrassing. Muizen. Niet dat ze ons afschrikken. Zodra wij bewegen, muizen ze er toch vanonder. Bovendien ga je na nachten in India en de Himalaya sowieso soepeler om met je standaarden. Maar we zijn vooral bevreesd dat deze irritante knagers hun scherpe tanden zouden bijvijlen aan onze rugzakken en zo schade zouden aanrichten. Dus staan we even later opnieuw op straat. De zoektocht verloopt minstens even moeizaam tot we op het internet een veelbelovend pand ontdekken. Het ligt evenwel aan de andere kant van de stad en de receptie sluit er om twaalf uur. Dus resten er ons nog exact vijftien minuten om daar te geraken. Kai en Lilia stemmen in met een gedeelde tuktuk. Het is millimeterwerk om onze bagage in zijn matchbox te puzzelen. Ik grijp de arm van de chauffeur terwijl ik half buiten de tuktuk hang. Comfortabel is het niet maar toch verkies ik deze acrobatie boven de achterbank waar Eline haar examen tot sardien aflegt. Het voelde allemaal vrij rock ’n roll, maar uiteindelijk arriveren we tijdig en vinden we alsnog een veilig onderkomen. 

Little China

We huren scooters in de stad en verkennen met onze Duitse vrienden de nationale parken rond Kampot. Een lange, slingerende weg loopt stevig op en brengt ons bij een 29 meter hoog buddhabeeld. Niet zo bijzonder, denk je dan in Azië. Toch is het voor ons de eerste keer dat we een vrouwelijke buddha ontmoeten. Aan de overkant van de weg staat het Black Palace dat ooit de voormalige koning Sihanouk onderdak bood, maar na jaren van verkrotting blijft er van royale glans geen sprankel meer over. Integendeel. Wie voor Halloween nog een griezelige of mysterieuze locatie zoekt, vindt hier zijn walhalla. Voorzichtig dwalen we door de kraakpanden. Voorbereid op een onverwachte ontmoeting met wie of wat dan ook. Graffiti probeert de muren tevergeefs nieuw leven in te blazen, maar de gloriejaren zijn voorbij. Planten en boomwortels installeren zich steeds nadrukkelijker in iedere kamer. De toekomst is hier aan de jungle. 

We rijden hoger de berg op en stijgen duizend verticale meters tot Bokor Hill Station waar tot de jaren ’40 van de vorige eeuw de Franse kolonisten op vakantie kwamen. Nadien volgden decennia van verwaarlozing. Een gigantisch groot, geel gebouw eist alle aandacht op. Het oogt industrieel. Alsof hier een enorme fabriek is neergepoot. De parking is verlaten. Slechts een handvol plaatsen zijn ingenomen. Duizenden andere plekken blijven leeg. Voorlopig. Want de Chinezen zijn vastberaden deze plek nieuw leven in te blazen. De fabriek hebben ze intussen omgebouwd tot hotel inclusief casino. Luxe is de rode draad. De lobby is er één uit de boekjes en gokhal is groot genoeg voor een daguitstap. Toch lopen we hier als enige gasten. Zelfs het leger aan personeel kan de leegte niet verhullen. We zijn benieuwd of toeristen ooit de weg hierheen zullen vinden. 

 

Toch straalt de top van deze berg een bepaalde charme uit. De groene flanken zorgen voor een mooi panorama. Her en der vallen verlaten ruïnes op. Zoals die van een oude, Franse kerk. De ruimtes binnenin zijn, op enkele beschadigde beelden na, leeg. Ondanks haar verval spreekt de kerk tot de verbeelding. We klimmen nog iets hoger zodat we het bruinoranje mos op het dak beter kunnen zien. Want hoe meer kleuren, hoe mooier de wereld. In de diepte achter ons zien we de zee schitteren in de zon. Dit is de plek bij uitstek om uit te waaien en te onthaasten. 

Oh crab

De kuststad Kep ligt op 25 kilometer van Kampot. We parkeren onze scooter meteen bij de krab markt. Je kan er niet omheen. Dit is het uithangbord van de stad. Vissers klampen je de hele tijd aan in de hoop je wat krabben te kunnen aansmeren. Stem je toe, dan springen ze meteen in zee om hun vangst aan wal te sleuren. In grote manden kruipen honderden krabben over elkaar. Verser kan je ze niet vinden. Met blote handen grabbelen ze enkele exemplaren vast om je van hun beste kwaliteit te overtuigen. Hoewel we er geen seconde aan twijfelen dat een krab kansloos is in om het even welke schoonheidswedstrijd, kunnen we niet ontkennen dat hun opvallend witte buik en blauwe poten bijzonder zijn. 

 

Het strand van Kep Beach nodigt met zijn afval niet uit tot een namiddag zonnekloppen. Maar het standbeeld van de grote krab verdient wel een bezoek. Met schelpen drukken we ons pseudoniem in het zand: The Globe Microbe. Het kost ons een uur werk en een rood verbrande nek, maar het geeft Kep alleszins toch wat meer flair. Want het toerisme lijkt hier op sterven na dood. Gebouwen staan leeg en in de straten is er nauwelijks bedrijvigheid. Ook hier is het wellicht wachten op een Chinese invasie om het leven weer in de brouwerij te brengen.  

Kampot Peper

Hoewel Kampot bij de meeste mensen geen belletje doet rinkelen, is deze stad onder sterrenchefs over de hele wereld een begrip. De Kampot Peper is namelijk uitgeroepen tot beste peper wereldwijd en is bovendien de eerste pepersoort die een geografische status heeft verkregen. Vergelijk het met de Champagne uit de gelijknamige streek in Frankrijk. Dus trekken wij naar La Plantation, een grote plantage die door een Frans-Belgisch koppel wordt uitgebaat. De weg ernaartoe loopt over een kilometerslange stoffige weg vol scherpe stenen en hobbelige putten. Onze snelheid gaat nergens hoger dan 20 km/u. De plaatselijke school is net uit en we slalommen tussen een sliert van kinderen die op kleine fietsen naar huis terugkeren. Ze zingen in groep, zwaaien enthousiast en lachen ons schattig toe. Hun vrolijkheid steelt onze harten. 

 

La Plantation ligt verscholen tussen de bergen. De naburige zee zorgt voor een ideaal microklimaat dat de planten stimuleert om kwaliteitsvolle vruchten te leveren. Oogsten gebeurt met de hand. Ze plukken de kleine takken van de struik en analyseren ieder bolletje zorgvuldig. Rood betekent rijp. Dus worden zij apart verzameld. De groene bolletjes worden gekookt tot ze zwart kleuren. Dit monnikenwerk is nog maar het begin van de selectieprocedure. Want de Kampot Peper streeft naar perfectie. Zo mogen de bolletjes niet groter zijn dan 4 mm. Om je voor duizelingen te behoeden, reken je beter niet uit hoeveel bolletjes door deze handen gaan om een jaarlijkse productie van twintig ton te selecteren. 

 

Na de rondleiding schuiven we aan tafel voor een degustatie, maar na een zestal knikkers haken mijn smaakpapillen af. Zweet druppelt van mijn voorhoofd en mijn eerste optreden als vuurspuwer nadert zijn apotheose. De verschillende soorten blijven onophoudelijk de revue passeren. We zijn onder de indruk. Op de terugweg maken we een tussenstop bij het Secret Lake. Dit meer is aangelegd in opdracht van Pol Pot, maar heeft intussen zijn geheime status verloren. 

En zout

Geen peper zonder zout. Dus brengen we nog snel een bezoek aan de vele zoutvlaktes rond Kampot. We rijden kilometerslang onafgebroken tussen grote, afgebakende plassen. De zoutwerkers lopen blootsvoets heen en weer en vegen het zout bij elkaar. In geen tijd borstelen ze de waterplas vol witte piramides. De heldere reflectie in het ondiepe water zorgt voor mooie beelden. In gevlochten manden dragen jongens het witte goud naar grote aanpalende hangars waar het op grote bergen nog enkele weken blijft drogen. Maar de jongens werken zich nat in het zweet. Hun schouders buigen onder het gewicht. Het is zwoegen. Dat merk ik zelf wanneer ik de stok probeer te liften. Het is te zwaar. Een oude man spant een elektriciteitsdraad van de ene hangar naar de andere. De lampen moeten de kristallen helpen uitdrogen. We schrijven 2020 en het lijkt alsof ze hier de elektriciteit net hebben ontdekt. Wanneer we de zon in de tientallen waterplassen zien zakken, keren we tevreden naar de stad terug. 

Cambodja, de parel van Azië

Het is onze laatste avond samen met Kai en Lilia voordat ze morgen een andere richting uitgaan. Dus nemen we afscheid in stijl en kiezen we voor een hippe pizzeria. Ook voor ons breekt de laatste dag in Cambodja aan. Maar voor we naar Vietnam doorreizen, hebben we nood aan een praktische dag. We nestelen ons in een restaurant op de hoek van de straat. We zijn hier intussen vaste klant geworden dus mogen we ook na sluitingstijd gebruik blijven maken van hun wifi. En omdat we al te vaak veel geld verloren bij het pinnen, proberen we onze dollars hier om te ruilen voor Vietnamese Dong. Veel wisselkantoren zijn er echter niet. Lees: dat kleine mobiele karretje op het ronde punt is je enige optie. Achter het glas liggen stapels geld in iedere valuta voor het grijpen. In bewaking wordt niet geïnvesteerd. Haar commissie is verwaarloosbaar. Onze sensoren knipperen meteen rood en onze achterdocht neemt een vlucht. Is dit normaal? Vals geld is schering en inslag in deze contreien en we willen een vrij groot bedrag niet zomaar door de neus geboord zien. Dus zoeken we op het internet uit hoe we vals geld kunnen onderscheiden. Het is geen zuivere wetenschap maar na onze eerste laboresultaten, gokken we erop dat het goed zal komen. De komende dagen zullen uitwijzen in hoeverre we gelijk krijgen. 

 

Daarmee komt er een eind aan ons avontuur door Cambodja. Het waren drie fantastische weken waarin we naadloos van het ene naar het andere hoogtepunt reisden. Voor wie nog zoekt naar een interessante reisbestemming, zetten we met plezier nog enkele troeven in de verf. Het weer is er prachtig en in de bergen, meren, jungle, eilanden en zee is er ook voor iedere natuurliefhebber wat wils.  Aan cultuur is er absoluut geen gebrek en het moderne nachtleven puilt uit van de decadentie. De prijzen zijn voordelig, het eten is lekker en de vriendelijke bevolking is er een uit de honderdduizend. Ondanks hun verschrikkelijke recente geschiedenis hebben zij de hoop en hun enthousiasme niet verloren. Ondanks de extreme armoede zetten zij gastvrijheid voorop. Nergens straalt een lach oprechter dan op de gezichten van deze warme mensen. Cambodja verlaten, doe je zelf ongetwijfeld met een gelukzalige lach. Al verlaat je Cambodja nooit meer helemaal. Deze plek en deze mensen draag je voor altijd en overal een beetje mee. 

Reactie schrijven

Commentaren: 0